Hoofdstuk 2. Inleiding en Genealogie-Antonides.

Zoals sommige van onze familieleden bekend is, bestaat er wel een  boekje onder den titel: “Genealogie-Antonides”. Dit boekje is niet zo gemakkelijk verkrijgbaar, daarom meende ik goed te doen, een afschrift van voornoemd boekje in mijn beschrijving op te nemen. Genealogie is, zoals de lezer weet, geslachtkunde, een wetenschap van de op afstamming berustende verhouding der menselijke individuën.

Wij leven hier niet als “een hoopje zielen op een stukje grond, maar om in Bijbelse taal te spreken: “God schiep het menselijk geslacht uit enen bloede”. De gezinnen zijn de cellen waaruit de families opbloeien. Het is vrijwel onmogelijk na te gaan, waar de oorsprong ook van onze familie gezocht moet worden. De schrijvers van bovenbedoelde Genealogie-Antonides, zullen wel veel moeite hebben gehad, door te dringen tot de zeventien de eeuw, waar zij ontdekten dat Petri Antonius, onze over-over-over-Grootvader, zich liet inschrijven op 25 april l637, als theologisch student aan de hoogeschool te Franeker. De schrijvers van de Genealogie-Antonides, lieten aan hun belangrijke gegevens, een inleiding voorafgaan, die hier eerst volgt:

 

Inleiding Genealogie-Antonides

Deze genealogie van een drietal onderling samenhangende families welke de naam Antonides dragen, mogen geenszins aanspraak maken op volledigheid. Niemand is daar meer van overtuigd dan samensteller en bewerkers. Vandaar dat het ons goed toelijkt, deze verantwoording eraan vooraf te laten gaan. De gebruikers kunnen nu nagaan,welke werkwijze gevolgd is en welke gegevens gebruikt zijn.

De samensteller, de heer A.P.Oosterhof, technisch hoofdambtenaar bij den dienst der gemeentewerken te Leeuwarden, had in den loop der jaren uitgebreide gegevens verzameld, betreffende de families Antonides, waaruit hij in vrouwelijke lijn stamt.

Deze gegevens werden door hem ter beschikking gesteld van de beide ondergetekenden, om ze in de redactie van het” genealogysk Jierboek” gewenste vorm te gieten; (in hoofdzaak gelijk aan die der genealogieën, opgenomen in de jaarboekjes van de stichting Nederlands Patriciaat). Terwijl dit geschiedde, hebben de bewerkers de gegevens van der heer Oosterhof op verschillende punten kunnen aanvullen, met dj van de dubbelen der persoonsbewijzen(uitgereikt in 1941) en de advertentiecollectie’s van het Centraal-Bureau voor Genealogie te ‘s Gravenhage.

Van een verdere aanvulling van de “état present” kan door verschillende omstandigheden, vooral wat betreft de buiten Friesland uitgezwermde leden der familie, niets komen, zodat in hoofdzaak de toestand van 1941 wordt weergegeven. Ook de ‘etat present” der Friese takken vertoont niettegenstaande de onderzoekingen op Rijks- en Gemeentearchief te Leeuwarden en in het depot van Burgerlijke stand registers op de Griffie van de Arrondissementsrechtbank een aantal lacunes, welke volgens de vaste overtuiging der bewerkers nog wel te vullen zouden zijn geweest, zij het niet zonder daaraan meer tijd en arbeid te besteden, dan samensteller en bewerkers vermochten op 1 brengen. Wat wij hieronder dus bieden maakt,wij zeiden het reeds in de aanhef, geen aanspraak op volledigheid. Het wordt hier afgedrukt in de hoop dat door publikatie, bij de verschillende leden der familie, de belangstelling wordt opgewekt en dat dus van die zijde, aanvulling der thans nog onvolledige gegevens en verbetering van eventuele onjuistheden worden verstrekt.

 

2.  Vervolg Naschrift Genealogie-Antonides.

Er komen in het reeds eerder genoemde geschrift van neef Antonides te Ermelo, nog enkele Antonides-namen en jaartallen voor, welke wij ook hier willen noemen, wijl deze in de genealogie ontbreken. Er wordt melding gemaakt van Teodorus Antonides, wiens portret indertijd aanwezig was bij de familie Geerlings te Veenwouden. Dit portret had een onderschrift luidende: “Teodorus Antonides, thelogus Anno: Actatis XXXVIII, d.w.z. in zijn 38 ste levensjaar. Verder las men onder dat portret een gedicht, eén en ander ondertekend door W.Cransen. Het gedicht luidde:

Zoo staat Antonides ‘t gelaat

Zoo sweemt hem ‘t wezen

Wat kund’ van ‘s Woords geheim

licht van Gods Geest

Wat ijverzucht tot deugd

Wat krachten tegen ‘t Beest

Daar agter zijn

Moest ge uit zijn schriften lezen.

Deze Teodorus Antonides werd eerst predikant te Farsum. In 1689 den l6 den juli werd hij beroepen te Westerwijt. ln het jaar en wel 2 dec. trouwde hij met Elisabeth Magdalena de Walrich, waarschijnlijk een tweede huwelijk. Teodorus Antonides studeerde aan de Universiteit te Groningen. Het Album Studisorum luidt anno l684, Martië 30 Teodorus Antonides-Omland Phil: Gratis.

Er is ook een Antonides predikant geweest te Andel. Deze stierf in 1729. Misschien is dit wel bovenbedoelde Teodorus, maar dat is mij niet recht duidelijk. Indien het Teodorus niet is, dan is het Antonius Antonides.

Dan is daar nog Meynerdus Antonides,  geboren 2 en gedoopt 10 december 1705. 0ok deze Antonides werd predikant. Den 12den juli 1728 werd hij beroepen te Onderwierum. Hij trouwde 5 febr 1736 met Catarine Bus van Uitwierde.

Vervolgens Gehardus Antonides die in 1766 predikant werd te Westerwijtword en nog ene Teodorus Antonides die in 1779 adjunct predikant werd te Boertagne waarheen hij Esklum in Oost- Friesland beroepen werd.

Wij willen ook nog enkele andere zeken overnemen uit het geschrift ven neef Johannes. Wij noemden reeds de familie Geerlings te Veenwouden. Welnu bij die familie was ook een afschrift ven een advertentie ven het jaar 1851, waarin erfgenamen werden opgeroepen, een kapitaal te ontvangen van  f 30.000, nagelaten door Anna Catarina Antonides van Losdorp. Hierbij wordt aangetekend, dat de verwantschap met onze tak niet kon worden aangetoond.

Er wordt in dat geschrift ook geschreven over Henricus Regnerus Antonides, wiens kleinzoon naast de Antonides-naam die van Van der Linde aanneemt.

In de Napoleontische tijd woonden te Lutjegast de gebroeders Franciscus en Anne Antonides. Op zekeren dag zaten zij in een café, waar één van hun beiden ruzie kreeg met een aanhanger van Napoleon. De ruzie liep zo hoog dat de broers met hun beiden besloten den vriend van de kleine korporaa1 uit het venster te werpen. Aangezien zij de wraak van Napoleons trawanten vreesden, vluchten zij de “mieden” in achter Stroobos. Hun huishoudster bracht hen daar voedsel en kleren totdat zij naar Oost-Friesland vluchten, waar zij anderhalf jaar vertoefden voor zij zich weer in Lutjegast durfden vertonen. Ook in die tijd was dus het onderduiken bekend gelijk wij daarvan weten mee te praten uit de donkere dagen, in de oorlog van 1940-1945.

Sake Franses Antonides schijnt een uitnemend schaatsenrijder te zijn geweest, want zijn zoon Frans bezat een paar lijsten van deelnemers aan schaatswedstrijden waarop ook de naam van zijn vader voorkwam. Nu, den had deze Antonides in deze strenge winter ven 1963 zijn hart kunnen ophalen, en misschien de barre en boze tocht van de elf steden onlangs gehouden kunnen meemaken.

Onze overgrootvader heeft lange jaren te Veenwouden gewoond. Toen hij daarheen zou verhuizen, aldus de overlevering, werd hij door den Burgemeester gewaarschuwd, dat hij naar een beruchte buurt vertrok. Direct de eerste avond werd het dienstmeisje door opgeschoten jongens gemolesteerd bij het sluiten der blinden. Over-grootvader snelde naar buiten en deelde met een stok enkele rake klappen uit, nooit had hij weer last gehad.

Wij hebben bij de beschrijving elders reeds verteld, dat over-grootvader een werkzeem men was. Hij had te Veenwouden ook nog een cichoreifabriek, maar in deze handel heeft hij veel geld verloren.

In de genealogie wordt gesproken ven Saecke Floris. In het geschrift van neef Johannes wordt gezegd, dat Saecke Floris van Veenwouden, geboren in 1767, een geboortelepel bezat, waarop het blad stond vermeldt: “Den 9 May l706, geboren Saecke Floris. Waar hij geboren en waar hij woonde is niet met zekerheid te zeggen. Wij hebben hier gelegenheid om iets te zeg gen over de  betekenis van de geboortelepel, aan de hand van de beschrijving in “Rimen en Teltsjes” van Bruorren He1bertsma. Ik doe dat hier in het Nederlands. “Het is een oud gebruik onder de Friezen, om elk kind bij de geboorte een zilveren geboortelepel te geven, waarin de naam en dag der geboorte was gesneden. Onze stamgenoten, de Engelsen hadden dit ook in gebruik en noemden de lepels: “Apostel-spoons”, Apostel-1epels omdat hun geboortelepels op het eind ven de steel, het beeld van de twaalf apostels hadden. De vraag is waar dit gebruik vandaan komt. Om daarop een antwoord te vinden, moeten wij een ogenblik in de alleroudste en ruigste tijden van de Noorse naties terug gaan want die waren met de Friezen nauw verwant. Onze Friese kronieken reiken niet zover, dat ze daarvan het minste bescheid geven, maar wel de oude boeken van de Noormannen, die liefhebbers waren van aantekeningen, wijl de Friezen, hoewel ze het konden, zo bang waren voor schrijven als een hond voor geselen.

In die alleroudste tijden dan, was daarin vele oorden bijna geen boerderij of bouwboerderij te bekennen. Hele landschappen lagen voor wild en men zag haast niets als onafzienbare heidevelden en wit onland, hier en daar met schrale greide afgewisseld.

Hier kwam bij het eeuwig gevecht van stam tegen stam, waarbij het beetje dat er groeide nog geroofd of verwoest werd. Het gevolg was dat er veel mensen geboren werden als er eten was en dat er bij het minste misgewas hongersnood kwam.

De barmhartigste ouders moesten dus in dei dagen wel oppassen, dat ze geen meer kinderen “ten hunnen laste” hadden, als ze eten en kleren konden geven. Bij de geboorte van een kind was de eerste vraag van de vader of hij het kind kon opvoeden of niet. Was dit niet het geval, dan werd het kind op een open veld te vondeling gelegd meet een zakje zout naast het arme hart, aan de zijde. Dat mocht de vader niet doen als hij het kind het minste kruimeltje eten of een klein druppeltje drinken geven kon.  of liever als hij dat had gegeven. Hij moest het zuiver nuchter op het veld brengen; als het kind maar een druppel honing had geslikt, had de wreedste moordenaar , het hart niet in het lijf om het kind een enkel haar te krenken, zo heilig en diep zat dat verbod in de ziel van die rauwe natie geschreven. En niet minder heilig was de plicht van hem die het kind maar eventjes 1aafde, om voor het hart te zorgen, het op te voeden en te kleden; met één woord, om het kind alles wat het nodig had te geven, om het op te voeden en groot te brengen, gelijk een vader en moeder hoorden te doen. Daarom werd door de arme ouders ook een zakje met zout naast  het kind neergelegd. Als e,r nu een medelijdende ziel voorbijkwam, die niet kon uitstaan, dat zulk een onnozel schepsel daar van honger en dorst omkwam, of van het wild verscheurd zou worden, die vond daar het zout, om hem tot de opvoeding te verbinden. Hij strooide een paar korreltjes zout tussen de lipjes en daarrmede was een heilige eed voor God in d hoge hemel gezworen, dat hij voor het kind, als voor zijn eigen bloed zou zorgen. Het Christendom preekt liefde, medelijden, weldoen, menselijkheid en een van haar eerste zorgen is, als een moeder de kleine kinderen te kweken. “Laat de kinderen tot mij komen” zei Jezus. Hoewel nu de eerste Christenpredikers hier kwamen om het heidendom uit te roeien zo namen ze toch de heidense ceremoniën, die een weldadig doel hadden, in de Christelijke religie over, om de bekeerde heidenen, door plechtige vormen waraan zij waren gewend, des te krachtiger tot Christelijke deugden te brengen. Zij gaven aan elk kind dat ter wereld kwam, een pleegvader of pleegmoeder (van peet-Oom of peet-Moei) die bij de doop de post van vader of moeder of het nood was, voor haar rekening namen.

Die peten nu namen het verplichtend zinnebeeld van de heidenen over, maar verchristelijkt en naar de tijdelijke vorderingen in beschaving. Men at toen niet met vorken, want wij eten met vorken die van een latere uitvinding zijn. Zij aten met de vingers, pap en ander nat eten nuttigden onze voorouders met de lepel. Kleine kinderen eten meest lepelkost. Als nu een pleegvader of pleegmoeder aan haar pleegkinderen, een zilveren lepel met de naam van het kind erop gaven en daaruit lieten eten, wilde dat zeggen :”ik neem aan om jouw als mijn kind te ondedrhouden wanneer je vader of moeder te kort schieten.”

En wat betekende dat beeldje, dat op het eind van de steel zat? Het was het beeldje van de apostel of heilige, aan wie de pleegvader de belofte deed, om voor het pleegkind,wiens naam de lepel droeg, als zijn eigen zoon of dochter te zorgen en op te komen.

Die heilige, die zelfde apostel, mocht op de onzettende dag van het laatste oordeel voor de eeuwige rechter tegen hem getuigen als hij dit arme schepseltje aan het lot overlaten, en noch naar lichaam noch naar ziel verzorgd had. Want de eerste van alle plichten van de pleegouders was, om het kind in godsdienst en ch’istelijke deugende op te kweken.

Met deze mening werden de geboortelepels van volk en vrienden, aan het kind geschonken, en van de ouders aangenomen. Honderden van jaren duurde dat, maar de tijd, die alle menselijke gebruiken slijt, sloot eindelijk ook deze denkbeelden uit, en in de laatste tijden werd de geboortelepel niet anders, als een bewijs van verknochtheid van de gever, aan de ouders van het kind, dat hij met de lepel vereerde.

In de dagen toen de burgerlijke stand niet aanwezig was en uit de kerkelijke registers bij de mennonisten  die groot-doopten niet bleek wanneer iemand was geboren, bracht soms de geboortelepel met inscriptie uitkomst.

1 reactie op “Hoofdstuk 2. Inleiding en Genealogie-Antonides.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *

De volgende HTML-tags en -attributen zijn toegestaan: <a href="" title=""> <abbr title=""> <acronym title=""> <b> <blockquote cite=""> <cite> <code> <del datetime=""> <em> <i> <q cite=""> <strike> <strong>